vrijdag 23 april 2010

Cijferen

Een beproefde manier om proefwerken te becijferen is om per onderdeel een maximaal aantal te behalen punten toe te kennen, de behaalde punten op te tellen en uit dit totaal T een cijfer C tussen 1 (of 0) en 10 af te leiden. Maar hoe doe je dat laatste? Er zijn in ieder geval twee nethodes. Noem het maximaal aantal te behalen punten M.
  1. C = T/M * 10. Het cijfer varieert tussen 0 en 10 en is evenredig met het aantal punten. In Engeland vermenigvuldigt men wel met 100 en scrhijft het als percentage.
  2. C = 1+T/M*9. Het cijfer varieert dan tussen 1 en 10.
Men zegt wel dat je bij methode 2 een punt kado krijgt, maar bedenk dat dit alleen zo is als je helemaal niks goed hebt. Hoe meer punten je hebt, hoe kleiner het verschil tussen het cijfer van methode 1 en methode 2 is en als je alles goed hebt is het verschil 0 geworden, je hebt in beide gevallen een 10. Een belangrijker verschil tussen 1 en 2 is waar de grens tussen voldoende en onvoldoende ligt. Normaal gesproken wordt het cijfer 5.5 als voldoende beschouwd (het rondt immers af naar 6) en alles daaronder als onvoldoende. Bij methode 1 moet je dus 55% van de punten hebben, 10% meer dan de helft. Die 10% is wat arbitrair. Waarom niet 15%? Of 1%? Bij methode 2 heb je een 5.5 als T/M*9 = 4.5, ofwel T/M = 1/2. Je krijgt dus bij de helft van de punten een voldoende, bij minder dan de helft een onvoldoende. De cijfers liggen wat hoger dan bij methode 1 en zijn niet eveneredig met het behaalde aantal punten. Daar staat tegenover dat de grens tussen voldoende en onvoldoende minder abritrair is.

Bij het centraal schriftelijk eindexamen wordt methode 2 gevolgd. Op de TU/e zou deze methode verboden zijn, zo heeft een collega mij ooit verteld. Je moet volgens methode 1 cijferen. Ik heb nooit nagegaan of dat nog steeds waar is. Weet iemand dat?


Geen opmerkingen: